Japanse walvisvaarders zijn vandaag naar het ijzige Antarctica vertrokken. Daar hopen ze een succesvolle jacht op de dieren te openen. De jacht werd een jaar uitgesteld door internationale kritiek. Toch geeft de regering in Tokio nu opnieuw haar zegen voor de praktijk.
Vissers halen een walvis binnen terwijl Greenpeace-activisten het dier proberen te bevrijden © APDe walvisjagers gebruiken drie schepen. Deze zijn uitgerust met harpoengeweren, waarmee de walvissen beschoten worden. De munitie laat grote wonden na, waarna de dieren binnengetrokken worden. Eenmaal aan boord worden ze vakkundig, en vaak nog levend, versneden.
De schepen zijn vertrokken uit Shimonoseki, een stad in het zuidwesten van Japan. Een ander schip vertrekt uit het noordoosten, volgens het nationale Visagentschap.
Japen verdedigt de expedities door te zeggen dat het vlees voor wetenschappelijke doeleinden gebruikt wordt. Toch belanden de dieren veelal op het bord van hongerige Japanners. Het Internationaal Hof van Justitie oordeelde in 2014 dat Japan hierover liegt.
Het Japanse Visagentschap hoopt in de komende twaalf jaar 333 dwergvinvissen te vangen. Dit is een derde van de aantallen uit het verleden. Een verbetering, maar volgens milieubeschermingsorganisaties zoals Greenpeace niet genoeg.
“Dit is geen wetenschappelijk onderzoek, het is pure commerciële walvisjacht,” zegt Nathaniel Pelle van Greenpeace Australia. De organisatie kampt al jaren tegen de Japanse walvisindustrie. Radicale organisaties zoals Sea Shepherd proberen de jacht bovendien te saboteren. Tot op heden heeft niemand de jacht echter volledig kunnen stoppen.
