Op zaterdag, de eerste dag van de Marine Aquarium Conference of Europe, gaf Tanne Hoff meteen de aftrap met een uiteenzetting over hoe vissen in onze aquaria terecht komen. Welke weg leggen ze af, en wie zijn de spelers die bepalen welk dier in uw bak rondzwemt?
Tanne Hoff was ook vorig jaar present op de eerste editie van MACE. Toen ging zijn verhandeling over koraalvlinders en keizersvissen, en hoe we die vraatzuchtige soorten toch in onze rifbakken kunnen houden. Op deze editie meet Hoff een ruimer perspectief aan.
Met een insider blik op de handel in vissen troont Hoff ons mee naar landen als Indonesië en de Filipijnen. Daar toont hij, aan de hand van zelfgemaakte beelden, hoe de vissen die we in de winkel kopen worden gevangen. Dat loopt niet altijd van een leien dakje. “Als je dacht dat het moeilijk was om een vis te pakken uit een aquarium, dan kan je je wel bedenken hoe moeilijk het is om zo’n visje hier te vangen.” begint Hoff. Op de slides toont hij een filmpje van een koraalrif dat krioelt van het leven én evenveel gaatjes en gangetjes heeft waar dieren zich kunnen wegstoppen. “Een duiker heeft een heel uitdagende omgeving waarin hij moet werken.”
Wildvang blijft belangrijk
Hoewel veel soorten ondertussen gekweekt worden, zijn de meeste dieren die in onze aquaria belanden toch nog grotendeels wildvang. “Dat kan positief maar ook negatief zijn. Enerzijds zijn de mensen die de dieren vangen bezorgd om de gezondheid van de riffen bij hen in de buurt aangezien ze graag de volgende dag opnieuw kunnen vissen, anderzijds verwijder je natuurlijk een dier uit zijn natuurlijke omgeving.” Het vangen van vissen voor de hobbyhandel is echter voor velen een beroep; soms een bijverdienste maar vaak ook de grootste bron van inkomsten.
“Als je weet dat een kilogram vis die bedoeld is voor consumptie 10 EUR/kilogram waard is, en de gemiddelde siervis 200 EUR/kilogram, dan zie je wel de impact.” Hoff legt uit dat wanneer er geen handel meer mogelijk is in siervissen, mensen zouden vissen voor consumptie. “Om evenveel geld binnen te krijgen, moeten die vissers dan veel meer vis vangen.”
Cyanide en boeien
Dat vangen van siervissen gebeurt veelal op een ambachtelijke methode, met netten en een emmer “bewerkt met een boormachine”. Er is een grote verbetering de afgelopen jaren, die deels mogelijk gemaakt is door opleidingen georganiseerd door exporteurs. Zeker in vergelijking met meer destructieve vismethoden zoals het vissen met cyanide, een giftige stof. “Vissers gaan ook heel gericht te werk. Ze zoeken specifieke soorten, en enkel deze die ze nog nodig hebben om een bestelling te voltooien.”
Daarbij schuwen ze meestal de koraalriffen, enerzijds om ze niet te beschadigen maar zeker ook uit gemakzucht. Riffen bemoeilijken immers de vangst. Eenmaal de jacht er op zit, wordt de emmer met vissen aan een boei gehangen, om gedurende zo’n 15 minuten de laatste meters naar de oppervlakte af te leggen. Zo kunnen de dieren langzaam acclimatiseren aan de veranderende druk.
Diefstal
Dat wildvang de meest voorkomende methode is, wil niet zeggen dat er geen moeite gestoken wordt in het kweken van siervissen. Toch is de kweek vrij beperkt. “Bedrijven als De Jong menen wel dat ze 224 soorten kweken, maar eigenlijk zijn het eerder types.” vertelt Hoff. Steeds vaker krijgen we echter te horen dat er successen zijn.
De methodes achter dat succes worden evenwel angstvallig geheim gehouden. “Ik was welkom, maar mocht niét alles filmen [bij een kweker, nvdr.]”, vertelt Hoff. “De man had eerder al bezoek gehad van mensen die wél misbruik maakten van zijn gastvrijheid, en zijn kweekmethodes hebben gestolen.”
De kweek van siervissen is dan ook bijzonder duur en ingewikkeld. Het zijn intensieve processen die voor elke vis bijna anders zijn. “Daarom zijn dure soorten en designervissen dan ook zo interessant. Beter om alle moeite in een vis te steken die 1000 dollar opbrengt in plaats van simpele juffertjes te kweken.”
Kwaliteitscontrole
Om de gevangen of gekweekte vissen in ons aquarium te krijgen zijn er echter heel wat partijen die langs de kassa passeren. De exporteur dient als verzamelpunt voor kwekers en vissers, en dient als een soort kwaliteitskeuring. “Zij zullen al gauw weten welke leveranciers vaak dode vissen hebben en welke net niet.” De dieren krijgen bij de exporteur ook even de ademruimte om tot rust en op krachten te komen. Ze krijgen ook vaak preventief medicatie toegediend.
Vooraleer de dieren de lange reis richting Nederland en België aanvatten worden ze voorbereid. “Niet met een goed gesprek, maar wel door ze niet te veel eten te geven.” grapt Hoff. “Dat zou immers er voor zorgen dat de dieren het water dat in het transportzakje zit te fel vervuilen. Enkele dagen voor het transport krijgen vissen dan ook geen voer meer, zo kan er met een minimale hoeveelheid water gewerkt worden – “want gewicht betaal je”.
Eindstation
De importeur krijgt de dieren uiteindelijk binnen. Dit is de schakel die instaat voor het uitpakken van de dieren – “Een heel karwei om duizenden dieren netjes te sorteren en in aquaria te krijgen.” weet Hoff. Daarna belanden ze in quarantaine waar ze een behandeling en verzorging krijgen.
“Wat me opviel is op de duizenden dieren bij de importeur slechts enkele exemplaren het leven laten, en vaak zijn het dan nog de goedkopere juffertjes die net ijzersterk zijn. Hoe kan dat?” vraagt Hoff zich tenslotte af, om daarna het antwoord te geven. “Met dure vissen wordt zorgzamer omgegaan dan met de goedkope.”
De vissen bij de importeur worden uiteindelijk aan de lokale winkel geleverd. Zij zijn het die de vis aan de man brengt. Achter elk exemplaar zit een verhaal, dat op het eerste zicht niet duidelijk is. Wie zich echter verdiept ziet meteen een web van transacties en keuzes die de uiteindelijke kwaliteit van de dieren bepaalt. Tanne Hoff vat het echter eenvoudig samen: “Je kunt je wel afvragen of die hele vangst nu goed of slechts is. Iedere methode heeft zijn voor en nadelen, maar de beste visserij blijft geen visserij.”
